Leonieke Kruit over de wederopbouw en de Chronische Rotterdammitis

Leonieke Kruit bepleit een zo natuurlijk mogelijk leven. Voor Opinie in Salland schrijft ze verhalen om ons de ogen te openen. Dit keer over de wederopbouw na de oorlog, in de tijd dat chemische middelen geen bezwaar waren en roken stoer.

Door Leonieke Kruit

Het was niet zo lang na de tweede wereldoorlog toen ik als kind naar Rotterdam meeverhuisde. Rotterdam was voor een deel platgebombardeerd, maar daar was toen nog maar weinig meer van te zien. Alles stond in het teken van vooruitgang. Er kwamen veel nieuwe, nuttige producten op de markt zoals wasmachines, margarine, DDT. En nylon-kousen.

De meeste meisjes van mijn leeftijd konden niet wachten tot zij nylonkousen aan mochten, maar ik zag het als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd hangen. Amerika, oftewel de Verenigde Staten waren in alles het grote voorbeeld. Ze hadden meegedaan om ons onbaatzuchtig te bevrijden van de Nazi’s en gaven daarna bovendien financiële hulp. Die was snel terugverdiend, toen bleek dat het allemaal moest worden terugbetaald.

Ook hadden ze in en vlak na de oorlog overal onbaatzuchtig veel sigaretten uitgedeeld, zodat al gauw een groot deel van de bevolking verslaafd was, want de verslavende stoffen zitten er gratis bij in. En we mochten niet meer ons eigen graan voor brood verbouwen, dat moesten we in de VS kopen. Zo heeft de oorlog de VS geen windeieren gelegd.

Bij Rotterdam ontstond een groot industrieterrein. Daarvoor werd zonder scrupules het Europees erkende natuurgebied ‘De Beer’ opgeofferd. In plaats van duizenden broed- en trekvogels stonden er opeens olietanks bij de vleet. Natuurliefhebbers huilden bittere tranen. En er werden chemische fabrieken gebouwd waar van alles werd geproduceerd wat tot die tijd nog niemand had gemist. Op grote fabriekspijpen brandden dag en nacht vlammen en stootten veel rook uit.

Een meisje kreeg kanker
Wij woonden aan de zuidkant van Rotterdam, ten oosten van die industrieën, dus daar ging al die rook naartoe. Als mijn moeder de was ophing, ging ze eerst de lijnen met een doekje afnemen, anders stonden er allemaal zwarte strepen op de lakens. Als ze de lijnen had afgenomen, stonden die strepen op het doekje. Pikzwart. Niemand had het erover, dat we dat ook inademden en dat onze longen er dus ook zo uit moesten zien. Hoesten, keelpijn of erger was bij kinderen normaal, niet-hoesten de uitzondering. Onze huisdokter noemde het Chronische Rotterdammitis. Het leek alsof het allemaal heel normaal was. En die Amerikaanse sigaretten maakten het er vast niet beter op. Mijn vader was er één van, hij rookte al snel dag en nacht. De gordijnen werden bruin en elke keer ramen lappen leverde een bruine soep op. Roken was stoer.
Een meisje kreeg kanker op haar 18e en haar been moest worden geamputeerd. Ze zal het niet overleefd hebben, want kanker kwam toen maar zelden voor en over behandeling was weinig bekend. Ze woonden op Rozenburg, een klein dorpje ingeklemd tussen de industrieën.

Iedereen had werk…
Maar: hoor ik een paar lezers nu denken: iedereen had werk en de vooruitgang maakte, dat iedereen rijker werd en al die spullen kon betalen. En daar moesten we toch eigenlijk dankbaar voor zijn.

Ik kreeg een eerste, platonisch, vriendje. Zijn vader werkte in die chemische industrie. Hij was er erg trots op, want hij kreeg een functie bij de vakbond en mocht daarvoor naar Portugal. Hij werkte in de bestrijdingsmiddelen-industrie. Daar werden insectenbestrijdingsmiddelen gemaakt en middelen tegen onkruid, zoals Roundup. Oftewel insecticiden en herbiciden. Hij had het geluk in de insecticiden te werken, want als je in de herbiciden werkte, mocht je dat maar twee jaar doen, vertelden mijn vriendje en zijn vader, anders kreeg je hersenafwijkingen. En van de insecticiden niet.

Tegelijkertijd werden in het kader van de vooruitgang alle straten, trottoirs en alles mogelijke met herbiciden gespoten tegen onkruid. Alles mooi schoon. De gemeentewerkers deden dat eerst met gasmaskers op. Kinderen mochten gewoon op de trottoirs spelen. Dat vonden sommige bewoners toch wat verontrustend en de gemeente nam drastische maatregelen: de gemeentewerkers mochten voortaan géén gasmaskers meer op. In een arbeiderswijk werd dat snel bekend. En de kinderen mochten gewoon buiten blijven spelen.

Ik speelde als klein kind weinig op het trottoir. Want er was een meisje in de straat, dat erg gek op mij was en ze wilde mij steeds optillen. Ze had enorme snotpegels door de Chronische  Rotterdammitis. Ik gruwde daarvan en als ze mij optilde zag ik niets anders meer dan die grijze snotpegels met een groene pit erin. Dan ontworstelde ik mij aan haar terwijl ik mijn best deed niet die snotpegels in mijn haar te krijgen. Dan zorgde ik dat ik binnen kwam, op ons bovenhuis met twee balkons met waslijnen. Misschien heeft zij er dus voor gezorgd, dat ik nu nog redelijk gezond ben.

Voeg reactie toe

Klik hier om een reactie achter te laten