Arjan Pronk: PIET PIET PIET, IK BEN MIEN KANARIE KWIET

M’n tante had een kanarie maar ze kon er niet meer tegen. Ze was mijn favoriete tante, dat was een hele prestatie want ik had er toen een stuk of 20. Ze was niet eens een officiële, we noemden haar tante maar ze was een zus van m’n oma. Een soort tante, maar vooral een ouwe vrijster.

Door Arjan Pronk

Tante Bea had vroeger verkering bij de vleet en was een hele flinke. Dat zeiden ze dan, een hele hittepetitte. Ze had als één van de weinigen een finaal andere vibe in haar huis. Bij de meesten was het wel gezellig maar bij haar was het vooral anders, warmer en lichter. Geen depri Oisterwijk eiken vol zware kleuren maar transparant, bezield en tijdloos spul dat haar persoonlijkheid volstrekt afficheerde. Het na-oorlogse design omarmde me en trok me zo haar hartelijkheid in.
Tante Bea had stijl, rookte als een bootwerker en dacht machtig vrij.
Ramvol boeken stond het er ook, naast de haard en de patchoelie rook je de aanwezigheid zoals in een muffe bieb. Perzische kleden vol kattenhaar en gloed, de platenspeler speelde muziek voor je gemoed.

In de herfst van haar drassige bestaan, ze zoop als een tempelier, deed ze gaandeweg vrij onvrijwillig haar huisdieren van de hand. Met haar goede hart was ze een soort opvang tehuis geworden voor afgedankte beesten. Ik hoopte mirakels op haar tekkel Trippie. Ze droeg de slome blafkees de laatste jaren roerloos op haar schoot. Lekker tam dacht ik altijd. Meestal lag ze te slapen op haar vaste plekje in de Jan Jans en de kinderen bank. Ze praatte tegen Trippie alsof het haar hulpbehoevende mongoloïde kindje was.

‘Die dierentuin moet nodig weg want die oude meuje* laat de hele boel versmeren’ zei m’n pa. En zo ging het.
De katten gingen naar m’n nichtjes en de vissen naar ome Theo. De papegaai ging naar de pastoor en al dat andere spul, van wandelende takken tot oude schildpadden, gingen naar God mag het weten. Ik zag neef Appie nog een keer lopen met een rat van haar. Hij was erdoor aan de punk geraakt. Sex Pistol heette het beest, never mind the bollocks was zijn geest.

Ik kreeg de kanarie, inclusief de rotan kooi die aan haar schrootjes-plafond hing te pronken. Het beestje had haar hele leven in de rook van m’n tante geleefd. Ze tjilpte alsof je de zanger van Slayer hoorde grunten. Bij een eerste gehoor schrok je je te pleuris. Mijn tante klonk daarnaast als een tijger van leer met gelooide stembanden die als een v-snaar vol aften op apegapen lag. Gezellig.

In de oude pastorie was het toentertijd plots lang niet pluis. De pastoor had zelfs een exorcist aan laten rukken omdat hij meende met een demon van doen te hebben. Het gegrom leek uit de gekalkte muren te komen en het vloekte de hosties slof. De meid sproeide wijwater als een krolse kat en de weesgegroetjes deden slechts haar uitgezakte permanentje krullen. De salie lag door de hut alsof er zojuist een bos dode kerstbomen doorheen was gesleept. Het mocht allemaal niet baten.
Niemand had aan de eenzame papegaai gedacht. Hij klonk alsof satan met vlag en wimpel gewonnen had van het licht dat we graag God noemen. Diabolische kreten slaakten uit de gevederde, geketend en uit zijn leven gegrepen.

Twietie sleep de sepia tot gruis, rook naar de kroeg en pikte navelpluis. De kanarie was van mij.
Toen Annegie, mijn eerste vriendinnetje, aanbelde vergat ik het deurtje dicht te doen nadat ik het beestje gevoerd had. Met m’n neus vol tante Bea en schelpenzand deed ik op m’n coolst de voordeur open om mijn ontwapenende bloemetje te ontvangen. Haar blosjes verrieden vlinders en bleue kalverliefde.

Na wat onhandig geflikflooi, bier, wijn en haar eerste jointje schrokken we op van gefladder. Ik dacht eerst dat het uit haar rokje kwam maar raakte de malle gedachte rap kwijt toen Twietie in de ventilator verzeild raakte. Een doffe stomp, de lome huiskamer rook plots naar een asbak en de gele veertjes dansten in het rond. Ze had gelukkig veren genoeg over om uit de propeller te geraken en vloog als een haperende badminton shuttle door de openstaande serre deuren.
Het was heet, net als m’n vriendinnetje die m’n schrik snel wist om te zetten in lust. Ramvol testosteron en dierlijkheid duizelde ik haar warme lijf in. Ik vrat haar op.

De elpees lagen bloot op het kokos vloerkleed. We hadden The Cure, Neil Young, Bill Withers, Joy Division en The Doors niet nodig om in the mood te komen. Riders on the storm bleef steken in een windvlaag en het kaarsenvet gleed als lava op de teakhouten salontafel. Het stolde net als de tijd.

Het was half 3 toen ik wakker werd.
De hond likte mijn gelukzalige gezicht en ik dekte m’n naakte meisje toe met het gehaakte sprei van m’n tante uit Canada. Zonde dacht ik eerst, tot ik zag hoe sexy en mooi ze zo ook was.

De dag erna voelde ik me zaliger dan de paus en dacht ik pas na een kop of vijf aan Twietie. Ik was verdwaald in koffie en het naar binnen schijnende ochtenlicht, de stralen verlichtten stofdeeltjes die in slowmotion dansten en mij deden staren in trance. De veertjes op de vloer drongen m’n kop pas binnen nadat ik ze al even in mijn vizier had. Kut, Twietie.
In m’n nachtpak veerde ik stante pede op vanuit de oude rookstoel om de vogel te spotten. M’n hart bonkte en tante Bea doemde op in m’n puberkop vol dynamiek. Ja man, de vogel was gevlogen. Geen bloed op de ramen, geen zonnebadende pootjes in de lucht…Piet piet piet, ik was m’n kanarie kwiet. Godverdegodver.

Ik bakte eieren en sprong onder de pomp, aan Annegie dacht ik harder dan aan de ontsnapte vogel. Tante Bea kwam echter smerig dichtbij waardoor ik meteen na de douche op m’n Gazelle richting de villawijk fietste. Daar woonde ze, moederziel alleen in haar onder architectuur gebouwde bungalow.
Haar deur stond altijd open. Volgens mijn pa was ze de sleutel van haar kuisheidsgordel ook kwijt.
Natuurlijk wist ik dat het gelul was, dat had ik van Gait-oom wel gehoord. De bellen hingen er volgens hem soms bij aan. Mijn moeder bromde dan dat ik niet naar die vuile praat van Gait-oom moest luisteren omdat er anders niks van me terecht kwam. Ik nam het advies niet ter harte en voelde me een spons van inktvis.

Het rook naar frituurvet en natte honden-manden toen ik de door Mien Ruys aangelegde tuin betrad. Even leek het alsof m’n beschermengelen me op de schouder tikten van ‘ho-ho’.
Vrezen deed ik echter weinig. Ik zwiepte de deur open en smokste naar binnen alsof het mijn huis was. De lucht was niet te hachelen. De CoBrA kunst aan de muur deed me normaliter boeien waardoor het leek alsof ik langs de ramen van de rosse buurt gleed. Dit keer leek ik een gier die bang was om een hapje te missen, mijn intuïtie voorspelde meer dan onheil.
Pal voor de deur bleef ik staan, bevroren vanuit m’n darmen. Ik haalde diep adem en met een lijf vol groene container-odeur zwiepte ik hem open.

Een bedompte horror scène zoog me op. Bea hing aan een touw dat bevestigd was aan de haak van de vogelkooi. Bea was plots geen tante meer om te zien. Ze hing boven een plasje als een bontjas vol ingewanden. Het Brabantia krukje lag omgedonderd tegen de krabpaal en een pantoffel hing aan haar eeltknoest. De andere slof lag als een new-wave cavia in haar struif. Even voelde ik me thuis toen ik Twietie hoorde blaffen, als een kameel stond ze te blaten op haar scheve hoofd.

Bea was thuis, bij het licht dat haar haar hele leven had toe geschenen.
Twietie ook, maar anders.
Ik zette de ramen en de tuindeuren open zodat de vogel kon vliegen. De geest van tante Bea achterna, ze was al gegaan, uit de tijd.

Deze kleine geschiedenis beleefde ik in een roes van verliefdheid waar eigenlijk geen plek was voor mineur. Ik stelde m’n tante teleur wanneer ik zou blijven hangen in die teneur. Toen ik haar erf verliet en haar overblijfsel in de handen van familie en de regisseurs des doods overliet stapte ik op mijn fiets alsof het niets was. Dat was het vooral. Mijn Gazelle rolde me ongemerkt naar het huis van m’n verse bruid. Zo dacht ik naïef. Ze woonde in dezelfde straat en haar ouders waren er weer eens niet.

Een week later kreeg ik alsnog Trippie en de tranen verlieten mijn maagdelijke puberogen toen ik door kreeg dat ie allang morsdood was. Mijn verdriet gleed van zijn geprepareerde lijf, opgezet door Gait-oom vernam ik later… Ik wiegde het lijkje en kreeg een knauw van een kater.

Het koude rekkeltje deed me beseffen dat ik best van haar hield. Van tante Bea, waar de bellen soms bij aan hingen.
Ik hoorde ze rinkelen.

*tante

Voeg reactie toe

Klik hier om een reactie achter te laten