Naar een duurzamer voedselsysteem

In een duurzamer voedselsysteem wordt voedsel geproduceerd met minder negatieve effecten op onze leefomgeving, op de biodiversiteit, klimaat of dierenwelzijn. Voor die verduurzaming is samenwerking nodig tussen alle partijen: consumenten, producenten en overheid.

Overgenomen van Groen Kennisnet

De Nederlandse voedselconsumptie zou het vertrekpunt moeten zijn voor verduurzaming van ons voedselsysteem denken de opstellers van het rapport Dagelijkse kost. In dat rapport verkent het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de mogelijkheden voor verduurzaming. Daarbij is volgens de opstellers van het rapport een rol weggelegd voor alle partijen: consumenten, verwerkende industrie, supermarkten, overheid, boeren en tuinders.

Duurzaam voedsel
De titel van het rapport maakt duidelijk dat voedsel dagelijkse kost is. We hebben het elke dag nodig. Maar dat voedsel is ook onderwerp van een levendig debat. Dat debat kan gaan over de herkomst van het voedsel, over het effect op dierenwelzijn, over biodiversiteit of over het effect op de kwaliteit van lucht, water en bodem. Maar het kan ook gaan over eerlijke handel of voedselveiligheid. Dat maakt het begrip duurzaam ook lastig. Vaak komt de vraag waarom de landbouw of visserij niet duurzamer kan. Maar die sectoren kunnen de voedselproductie niet alleen verduurzamen, stellen de opstellers van het rapport.

Voor verduurzaming noemt het PBL vier aangrijpingspunten:

  • Duurzamer eten: Dat kan gaan over een verschuiving naar een meer plantaardiger eetpatroon
  • Minder voedselverspilling
  • Efficiënter produceren: Voedselproductie met minder hulpbronnen, of een hogere gewasopbrengsten per hectare
  • Zorgvuldiger produceren: Productie met minder negatieve effecten op de leefomgeving of dierenwelzijn

Die aangrijpingspunten maken nu soms deel uit van het landbouwbeleid, soms van voedselbeleid of natuurbeleid. Voor een duurzamer voedselsysteem is integraal voedselbeleid nodig. De opstellers van het rapport zien mogelijkheden voor alle partijen in het voedselsysteem.

Consumenten
Consumenten kunnen overstappen op een duurzamer voedselpatroon en moeten minder voedsel verspillen. Dat betekent dat ze hun alledaagse gewoonten moeten veranderen en dat blijkt vaak lastig. Gewoontes zijn gebaseerd op routines, op eetculturen. Daarom is er ook een rol voor supermarkten, horeca en de levensmiddelenindustrie om consumenten te ondersteunen in de veranderingen.

Bedrijven
Bedrijven als de verwerkende industrie en supermarkten kunnen boeren aanzetten tot verduurzaming van hun voedselproductie, vaak tegen een vergoeding. Veel bedrijven doen dat ook om uiteenlopende redenen: vanwege hun reputatie, om hun grondstoffenaanvoer veilig te stellen, voor verdienmogelijkheden of vanwege maatschappelijke druk. Verduurzaming door deze ketenpartijen is niet de oplossing voor alle problemen.

Overheden
Voor overheden – rijk en EU – is een belangrijke rol weggelegd. Zij kunnen door regelgeving boeren aanzetten tot een meer duurzame productie. De overheid zou toe moeten naar een ‘systeembewust voedselbeleid’, aldus het PBL: een beleid dat er zich van bewust is dat het voedselsysteem internationaal en complex is. Omdat waarden soms conflicterend zijn, heeft zo’n beleid een duidelijke visie en heldere doelen nodig om de randvoorwaarden en spelregels in het voedselsysteem te kunnen beïnvloeden en veranderen.

Beleid
Het huidige beleid gericht op het verminderen van voedselverspilling en het beïnvloeden van het eetpatroon van consumenten, zou geïntensiveerd kunnen worden. Bijvoorbeeld via voedselonderwijs en bewustwording. En de overheden zouden wet- en regelgeving aan moeten passen als deze belemmerend werken voor verduurzaming van het landbouw- en voedselsysteem. Daarnaast kan de overheid verduurzaming ondersteunen door kennisuitwisseling in ketens en tussen boeren onderling te stimuleren.

1 reactie

Klik hier om een reactie achter te laten

  • Als het om het beschermen van de Europese boeren gaat, is de globalisering niet bepaald een zegen. De globalisering is immers de hoofdoorzaak van al het gesleep met voedsel over de wereld. Economisch,vanuit de korte termijn gezien, is dat wel logisch. De supermarkten kopen het voedsel daar waar dit het goedkoopst wordt geproduceerd. Dus waar arbeid het minste kost en waar arbeid kan worden vermeden door het gebruik van gifsoorten die bijvoorbeeld in Europa (al lang) zijn verboden. Datzelfde Europa is, merkwaardigerwijs, juist groot voorstander van globalisering. Dat dit ten koste gaat van de eigen regio’s is de Europese politici blijkbaar een zalige zorg. Voor hen geldt het adagium ‘lang leve de markt en het grootkapitaal’. De gangbare boeren kunnen zich beter tot hun eigen lobbyisten wenden en hen verzoeken op te houden met al die handelsverdragen die uitmonden in amper te controleren, oneerlijke concurrentie.
    Dat globalisering ook ten koste van de natuur gaat behoeft geen betoog.